cer
      U bevindt zich hier :  Homestichting Dovenzorg > geschiedenis

Geschiedenis Dovenzorg Gereformeerde Gemeenten

Boek 50 jaar dovenzorg gereformeerde gemeenten.
U kunt dit boek ( 10,00 euro inclusief portokosten ) bestellen
via bestel ook een boek “Vijftig jaar Dovenzorg”.

 

 

 

 

 

 

 

Hieronder een stukje uit het bovengenoemde boek

Doven vroeger en nu                                                                          
B. Agteresch
We weten maar heel weinig van de doven in vroegere samenlevingsverbanden. Het zal duidelijk zijn dat in vroegere culturen het gesproken woord, de spreektaal, een belangrijke rol speelde. Doven hebben het in zo’n samenleving erg moeilijk. In de oudheid wist men eigenlijk niet goed raad met de doven. Men ging ervan uit dat doofheid en stomheid twee aparte handicaps waren. Je kon doven niet leren spreken, je kon ze geen onderwijs geven en daardoor stonden doven min of meer buiten de samenleving. Ze werden als nutteloze mensen beschouwd. Omdat doven niet leerden spreken waren ze tegelijk stom en sprak men altijd van doofstommen. De term doofstom is eeuwenlang in gebruik geweest. Pas in de vijftiger jaren van de vorige eeuw raakte de term in onbruik en kreeg het woord doofstom een negatieve klank.

In de Bijbel lezen we wel het een en ander over doven. Al in het begin van het Oude Testament (Leviticus 19 : 14) lezen we over de bijzondere zorg voor de dove: “Gij zult den dove niet vloeken en voor het aangezicht des blinden geen aanstoot zetten.”
Vanuit het Nieuwe Testament is ons de geschiedenis bekend van de dove man die zwaarlijk sprak en genezen werd van zijn kwaal door het ‘Effatha’ van de Heere Jezus (Markus 7). “Hij maakt dat de doven horen en de stommen spreken,” sprak de verwonderde schare. We lezen verder niet in de Bijbel over speciale zielszorg voor de doven. Doven kregen op geen enkele wijze onderwijs en bleven analfabeet.

De oudheid
In de Egyptische ‘Eberspapyrus’  (ca 1500 voor Chr) is iets te lezen over drankjes en zalfjes waarmee men doofheid kon behandelen.
In de Griekse Oudheid waren de doven niet in tel. Alle kinderen met een zichtbare handicap werden bij de geboorte gedood. Doofheid is echter een onzichtbare handicap, zodat dove kinderen in leven bleven. De volwassen doven moesten handwerk verrichten of werden geheel buiten de samenleving geplaatst.
Van de filosoof Aristoteles (384–322 voor Chr) werd beweerd dat hij geconcludeerd zou hebben dat doven niet kunnen denken. Dat is niet terecht. Wel leerde hij dat het gehoor bij uitstek het instrument is om tot ontwikkeling te komen. Zijn uitspraken zijn verkeerd uitgelegd en tot in de middeleeuwen dacht men dat doven niets konden leren.
Overigens sprak de filosoof Plato (427–347 (voor Chr) zijn bewondering over de mogelijkheid tot ontwikkeling van doven door middel van gebaren. Zonder woorden, dus met gebaren, konden doven met elkaar communiceren.

In de Romeinse tijd was het niet beter gesteld met de doven. Doofgeborenen hadden geen enkel recht. Ze konden niet onderwezen worden. Ze mochten zelf geen testament maken en konden ook geen erfenis krijgen. Ook mochten ze geen eigen bedrijf beginnen. Wel konden ze het land bewerken of soldaat worden. Verder leefden ze geïsoleerd en werden ze als minderwaardigen beschouwd.

De Middeleeuwen ( 500–1500)
In de (latere) Middeleeuwen ging men uit van Bijbelse principes. Vanuit de christelijke naastenliefde trok men zich nu het lot van de gehandicapten aan. Een handicap werd wel gezien als een straf van God. Kinderen met een handicap waren ‘wisselkinderen’ waarbij de duivel het goede kind had meegenomen en zijn eigen ‘slechte’ kind had achtergelaten. Doven kregen beperkte rechten, maar een beroep uitoefenen was eigenlijk onmogelijk. Je moest dan lid zijn van een gilde en daarvoor moest je voldoende vakkennis hebben. Doven misten die vakkennis. Ze werden vaak aan hun lot overgelaten of werden in een klooster ondergebracht.
Doven mochten de communie ( het nuttigen van de hostie tijdens de mis) niet ontvangen, omdat ze niet in staat waren hun zonden te bekennen. Men beriep zich op de kerkvader Augustinus die beweerd zou hebben dat doven onmogelijk tot het geloof kunnen komen omdat het geloof is door het gehoor. Augustinus schreef: “Quod vitium ipsum impedit fidem”.
Deze zin kan vertaald worden als: ‘Dit gebrek”(deze doofheid, BA) verhindert het geloof. Het werkwoord impedere kan inderdaad vertaald worden met verhinderen maar ook met belemmeren

Beschrijving: C:\Users\B. Agteresch\Documents\imagesCA0LLF19.jpg

Uit andere bronnen blijkt dat Augustinus doven niet afschrijft. Wel erkent hij dat doofheid een ernstige belemmering is om te horen en dus tot geloof te komen, maar hij weet van doven die met elkaar communiceren via gebaren. In zijn dagen was het voor doven wel erg moeilijk om de ‘moeilijke Bijbeltaal’ te begrijpen en eeuwenlang bleef dat zo.

Doven mochten ook niet trouwen. In de 12e eeuw werd dit voor het eerst toegestaan. Pas in de late Middeleeuwen kwam er, vooral vanuit de kerk, meer aandacht voor dove mensen


Sommigen dachten  positief over doven, zoals de beroemde schilder Leonardo da Vinci(1452 – 1504)  Hij noemde hen ‘meesters in de gebarenkunst’.

 

Wilt u meer lezen? Schaf dan dit lezenwaardige boek aan via ons contactformulier.

naar boven